In BLOK worden klimtermen gebruikt die niet voor iedere beginnende klimmer (helemaal) duidelijk zijn. Hieronder staan ze uitgelegd. Als dat nodig is, vullen we de lijst na ieder volgend nummer aan. Een zeer complete woordenlijst vind je hier.
Afblokken Het met een gebogen arm laag fixeren van een greep waardoor het lichaam tijdens het klimmen in een stabiele positie gehouden wordt.
Arquée [Frans] Stand van de vingers op een greep (meestal een randje) waarbij de vingers opstaand op de greep staan; de laatste gewrichten zijn overstrekt en de duim ligt meestal op de wijsvinger (zie crimp). Vergelijk tendue.
Artificieel klimmen Een route klimmen met behulp van andere middelen dan alleen de rots, bijvoorbeeld door op haken te gaan staan of een touwladder te gebruiken.
Behaken Het plaatsen van haken in een rotswand waardoor een route ontstaat.
Bigwall [Engels] Rotswand die zo hoog en moeilijk te beklimmen is dat meerdere dagen nodig zijn voor een beklimming.
Boulder Discipline binnen het wedstrijdklimmen waarbij in een serie van vier tot zes boulders zo veel mogelijk tops gehaald moeten worden. Momenteel worden er wedstrijden georganiseerd in de disciplines Lead, Boulder, Speed en Duel.
Campusbord Op regelmatige afstand boven elkaar geplaatste (houten) latten waarop hangend getraind wordt door bijvoorbeeld van lat naar lat te pakken. Vergelijk vingerbord.
Colonette [Frans] Colo; tufa; druipsteen; langwerpige, verticale kalkafzetting op een rotswand van kalksteen, ontstaan door water dat steeds op dezelfde plek van de rots druipt.
Contact strength [Engels] De kracht die er voor zorgt dat je onder belasting je hand gedurende langere tijd in een specifieke stand kunt houden.
Crashpad [Engels] Draagbare valmat die boulderaars in de vallinie van een boulder leggen om bijvoorbeeld hun enkels te beschermen bij het afspringen of vallen.
Crimp [Engels] Het pakken van een klein randje in de rots, meestal arquée, of de naam voor zo'n randje zelf.
Crux [Engels] Sleutelpassage; de moeilijkste pas(sage) van een boulder of route.
Dead Hang [Engels] Statisch moment tijdens een optrekoefening, bijvoorbeeld door met op 90 graden gebogen arm(en) af te blokken (zie afblokken).
Deadpoint [Engels] Dynamische beweging naar een volgende greep omdat de afzetgreep niet afgeblokt (zie afblokken) kan worden.
Duel Discipline binnen het wedstrijdklimmen waarbij in een directe confrontatie met een klimmer in eenzelfde route zo hoog mogelijk geklommen moet worden, waarbij tijd ook een rol speelt. Momenteel worden er wedstrijden georganiseerd in de disciplines Lead, Boulder, Speed en Duel.
Dyno [Engels] Sprong; jeté; het springen naar een volgende greep omdat die té ver weg is om statisch te pakken of omdat een greep niet afgeblokt (zie afblokken) kan worden. Bij een pure dyno komen de voeten los van de wand, zo niet, dan is het een deadpoint.
Equipeur [Frans] Diegene die een route behaakt (zie behaken).
Flag(-positie) [Engels] Houding om het lichaam al klimmend in evenwicht te houden door een been achter het standbeen langs te steken zonder dat de voet van dat been op een tree staat.
Flake [Engels] Een schijfvormig stuk rots dat iets van de rotswand af staat waardoor je er over een grote breedte achter kunt pakken.
Flash [Engels] Het in één keer voorklimmen van een boulder of route zonder deze van te voren geoefend te hebben. Je mag wel informatie gekregen hebben van andere klimmers, bijvoorbeeld omdat je iemand de route hebt zien klimmen. Vergelijk onsight.
Grit [Engels] Gritstone; steensoort vergelijkbaar met zandsteen, echter met een grovere korrel. Een bekend gritgebied is het Peak District in midden Engeland.
Heelhook [Engels] Tijdens het klimmen met de hak achter een 'greep' haken. Dit kan om een kant zijn, maar ook boven je hoofd, bijvoorbeeld aan een dakrand. Vergelijk toehook.
Highball [Engels] Boulder die zo hoog is dat extra maatregelen nodig zijn om deze veilig te kunnen klimmen; extra crashpads, meerdere spotters. Soms worden deze hoge boulders eerst met touw uitgewerkt en schoongemaakt. Een highball kan zo hoog zijn dat hij meer op een solo-beklimming lijkt dan op een boulder.
Intermediair Tussengreep(je); greepje dat alleen gebruikt wordt om de beweging van een greep naar de volgende te vergemakkelijken.
Klimstijl De wijze waarop een route of boulder geklommen wordt. Dat kan bijvoorbeeld zijn na het (bijvoorbeeld toprope) uitwerken van een route of in één keer (rotpunkt, flash, onsight, solo, rope solo).
Kneebar [Engels] Knieverklemming; het verklemmen van een onderbeen in de rots door tegendruk uit te oefenen tussen een voet en een knie. Hierdoor worden de armen ontlast en kan er zelfs een No hands ontstaan.
Lead Discipline binnen het wedstrijdklimmen waarbij in een moeilijke route zo hoog mogelijk geklommen moet worden. Momenteel worden er wedstrijden georganiseerd in de disciplines Lead, Boulder, Speed en Duel.
Lengte Zie Touwlengte.
Local [Engels] Klimmer die een bepaald gebied als 'thuisgebied' heeft omdat hij er vaak komt. Meestal zal hij er ook veel boulders of routes behaakt en/of geopend hebben.
Mantle [Engels] Mantel; klimbeweging waarbij de klimmer over een horizontale rand klimt door een voet naast de handen op de rand te plaatsen en zo zijn lichaamsgewicht boven die voet brengt.
Mono [Frans] Monodoigt; éénvingergat; gaatje in de rots dat zo klein is dat die slechts met één vinger belast kan worden.
Multi-pitch [Engels] Route van meerdere Touwlengten.
No hands [Engels] No hands rest; plek in een route waar het mogelijk is te rusten zonder de handen te gebruiken, bijvoorbeeld door een been te verklemmen.
Obligatoire [Frans] Verplicht; term die gebruikt wordt bij het omschrijven van de moeilijkheid van alpiene (sportklim)routes. 6c obligatoire wil zeggen dat de moeilijkste passen tussen de haken (klimbewegingen die je dus niet makkelijker kunt maken door het gebruik van een haak) 6c zijn. Deze moeilijkheidsgraad moet je dus beheersen om boven te kunnen komen.
Onsight [Engels] Het in één keer voorklimmen van een boulder of route zonder deze van te voren geoefend te hebben. Je mag ook geen informatie gekregen hebben van andere klimmers, bijvoorbeeld omdat je iemand de route hebt zien klimmen of iemand die je vertelt heeft hoe een pas uit de route moet. Vergelijk flash.
One mover [Engels] Boulder (of route) waarbij de moeilijkheden slechts uit één pas bestaan. Die ene pas bepaalt de moeilijkheidsgraad van de boulder.
Openen Het voor het eerst beklimmen van een boulder of route. De klimmer die een boulder of route opent, geeft deze meestal een naam en doet een voorstel voor de moeilijkheidsgraad. Dit hoeft, bij routes, niet dezelfde persoon te zijn als de behaker (zie behaken).
Pofzak Magnesiumzak; zakje dat klimmers op hun rug binden om magnesiumpoeder in mee te nemen tijdens het klimmen. De naam pofzak is fout, er zit nooit pof in een dergelijk zakje.
Recruitment [Engels] Trainingsvorm die niet gericht is op het vergroten van het aantal spiervezels maar op de hoeveelheid spiervezels die aanspannen bij belasting. Bij honderd procent recruitment werken alle spiervezels mee.
Rope solo [Engels] Klimstijl waarbij de route alleen, dus zonder zekeraar, geklommen wordt maar waarbij je jezelf wel via een bepaalde touwtechniek zekert.
Rotpunkt [Duits] Klimstijl waarbij de route in één keer, zonder de haken te belasten, geklommen wordt.
Sica Sika; lijm op epoxybasis (Sikadur 31 van het bedrijf Sika) waarmee bijvoorbeeld grepen in fragiele rots verstevigd kunnen worden.
Sloper [Engels] Aflopende greep, het vlak dat je met je hand pakt, loopt schuin naar beneden (of opzij) weg.
Slopy [Engels] Aflopend; ook een randje kan aflopend zijn; een slopy randje.
Solo [Engels] Alleen; klimstijl waarbij de route alleen, dus zonder zekeraar, geklommen wordt. Het spreekt voor zich dat dit een heel gevaarlijke manier van klimmen is. Dit in tegenstelling tot rope solo.
Speed Discipline binnen het wedstrijdklimmen waarbij in een directe confrontatie met een klimmer in eenzelfde route zo snel mogelijk geklommen moet worden. Momenteel worden er wedstrijden georganiseerd in de disciplines Lead, Boulder, Speed en Duel.
Speedclimb [Engels] Het zo snel mogelijk proberen een route te klimmen. Dit gebeurt op wedstrijden, maar ook rotsroutes van meerdere touwlengten worden soms zo snel mogelijk geklommen.
Spotter [Engels] 'Zekeraar' bij het boulderen; deze persoon staat achter de boulderaar en zorgt ervoor dat de boulderaar bij het afspringen of bij een val niet geblesseerd raakt door hem min of meer op te vangen en naar het crashpad te begeleiden.
Standplaats Plek aan het einde van een touwlengte waar de klimmer zich veilig vast kan zetten in de rots. Meestal is de standplaats van een sportklimroute voorzien van twee boorhaken, verbonden door een ketting. De standplaats wordt gebruikt om de naklimmer aan naar boven te zekeren, een tweede touwlengte te starten of om veilig aan af te dalen.
Tendue [Frans] Stand van de vingers op een greep (meestal een afloper) waarbij de vingers afhangend op de greep liggen (zie Sloper). Vergelijk arquée.
Topo Klimgids; beschrijving (meestal in boekvorm) van en boulder- en/of klimgebied waarin boulders of routes getekend en/of beschreven staan met plaats, naam en moeilijkheidsgraad waardoor ze te vinden en te begrijpen zijn.
Tufa [Engels] Zie Colonette.
Toehook [Engels] Tijdens het klimmen met de tenen achter een 'greep' haken. Dit kan om een kant zijn, maar ook boven je hoofd, bijvoorbeeld aan een dakrand. Vergelijk heelhook.
Touwlengte Deel van een lange route tussen twee standplaatsen of de bodem en een standplaats. Als een wand te hoog is om, door de beperking van de lengte van een klimtouw, in één keer te beklimmen, wordt deze onderverdeeld in meerdere touwlengten (Multi-pitch).
Vingerbord Module met meerdere greepmogelijkheden waarop hangend getraind wordt door bijvoorbeeld optrekoefeningen te doen of van greep naar greep te pakken. Vergelijk campusbord.
Zitstart Methode om een boulder te starten waarbij in zittende positie de eerste grepen en treden belast worden en waarbij de billen als laatste de grond verlaten.